Posts tonen met het label kringloopwijzer. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kringloopwijzer. Alle posts tonen

vrijdag 7 juli 2017

Fosfaatreductieplan 2017: Stand van zaken

Inmiddels is periode 2(mei-juni) geweest. In deze periode is de verplichte GVE reductie 10 procent toz van het totaal aantal GVE op 1 oktober 2016.
Het reductiepercentage is voor de derde periode(juli-augustus) van het fosfaatreductieplan 12 procent in plaats van de eerder voorgenomen 20 procent. Dit is het gevolg van de goede resultaten die tot op heden behaald zijn. Over periode 4 en 5 is nog geen zekerheid hoe hoog de reductiepercentages zullen zijn. Dit hangt af van de landelijke fosfaatproductie later in dit jaar.

Het jongveegetal

Het jongveegetal is van toepassing voor bedrijven die jongvee ouder dan 35 dagen afvoeren naar een bedrijf in Nederland(Nederlands UBN). Bedrijven die alleen kalveren afvoeren t/m een leeftijd van 35 dagen hoeven niet te rekenen met het jongveegetal. Deze bedrijven mogen alleen jongvee ouder dan 35 dagen afvoeren voor dood, slacht of export. Hierdoor is uitscharen niet mogelijk.

Tijdelijke afvoer (droge) koeien

De afvoer van ‘rundvee ten minste één keer gekalfd’ telt niet mee als reductie, indien deze afvoer na 28 april 2017 is/wordt gemeld in het I&R-systeem en binnen 4 maanden weer wordt aangevoerd. Hierdoor blijven uitgeschaarde droge koeien meetellen. Dit geldt ook voor droge koeien die tijdens de droogstandperiode op een ander bedrijf worden gehuisvest. In beide gevallen staan de droge koeien tijdelijk op een ander KvK-/BRS-nummer geregistreerd. Deze dieren tellen dus (alsnog) mee, ook in geval deze werkwijze reeds langer de praktijk is.

Uitscharen naar ‘eigen’ natuurterrein is geen afvoer


Droge koeien en jongvee die worden uitgeschaard naar natuurterrein, dat bij het bedrijf in gebruik is, worden niet afgevoerd van het bedrijf. Deze runderen blijven op hetzelfde UBN geregistreerd staan en blijven dus op het bedrijf meetellen. 

zondag 26 februari 2017

Fosfaatreductieplan



Het fosfaatreductieplan melkvee, waarin de GVE-reductie is geregeld, gaat in per 1 maart 2017. Met dit plan moet de melkveestapel terug naar de peildatum 2 juli 2015 minus 4% (behoudens grondgebonden bedrijven). Nieuw is dat het plan ook geldt voor bedrijven met vrouwelijk rundvee die geen melk produceren, zoals jongveeopfokbedrijven en vleesveebedrijven (m.u.v. vleeskalverbedrijven). Hierbij geldt een nieuwe peildatum van 15 december 2016. De definitieve regeling heeft soms grote onvoorziene effecten voor rundveebedrijven, die geen melk produceren. Vanaf april worden de eerste heffingen opgelegd.

Vrouwelijke runderen en GVE
In tabel 1 staan de categorieën van runderen, waarvoor het fosfaatreductieplan geldt. Daarbij is tevens aangegeven voor hoeveel GVE één rund in betreffende categorie meetelt.

Tabel 1. Categorieën runderen en aantal GVE per rund
·         Vrouwelijk rund van 0 tot 1 jaar                                  0,23
·         Vrouwelijk rund vanaf 1 jaar en nog niet gekalfd          0,53
·         Rund dat tenminste eenmaal gekalfd heeft                  1,00

De diercategorieën uit het fosfaatreductieplan zijn afwijkend van de omschrijving ‘melkvee’ uit de Meststoffenwet. Hierdoor vallen ook zoogkoeien en overig vleesvee onder het fosfaatreductieplan. De reikwijdte van het plan is hierdoor veel groter.
  
Regeling melkproducerende bedrijven
Voor bedrijven die melk produceren voor consumptie of verwerking geldt een regeling die voor een groot deel vergelijkbaar is met de eerdere plannen van ZuivelNL. Deze bedrijven moeten, op GVE-basis, in stappen terug naar een referentieaantal.
Het referentieaantal is het aantal runderen (uitgedrukt in GVE’s) dat het bedrijf volgens de I&R-registratie op 2 juli 2015 had, verminderd met 4%. Voor een grondgebonden bedrijf is deze korting van 4% niet van toepassing.
Een bedrijf is grondgebonden als in het kalenderjaar 2015 de fosfaatproductie kleiner of gelijk is dan de fosfaatruimte in dat jaar.
De verplichte GVE-reductie wordt in stappen ingevoerd. De stappen worden ingedeeld in perioden. Per periode geldt een ‘verminderingspercentage’, dat aangeeft met hoeveel procent het aantal GVE’s moet worden verminderd. In tabel 2 staan de perioden met de daarbij behorende verminderingspercentages vermeld.
Tabel 2. Perioden en verminderingspercentages
·         Periode 1: maart en april                                5%
·         Periode 2: mei en juni                                    10%
·         Periode 3: juli en augustus                            Ten hoogste 20%
·         Periode 4: september en oktober                  Ten hoogste 40%
·         Periode 5: november en december               Ten hoogste 40%

De definitieve percentages voor de perioden 3 t/m 5 zijn afhankelijk van het verloop van de totale nationale fosfaatproductie. Deze percentages worden uiterlijk op de laatste dag van de voorgaande periode vastgesteld.
De percentages in de perioden 3 t/m 5 zijn nooit lager dan de vastgestelde percentages in de vorige periode.
  
Heffingen
Als de GVE’s onvoldoende worden gereduceerd, volgt een heffing. Hierbij wordt steeds per maand de gemiddelde GVE’s in de betreffende maand vergeleken met het ‘referentieaantal’ en het ‘doelstellingsaantal’. Er kan een ‘hoge’ heffing volgen of een ‘solidariteitsheffing’.
Als een bedrijf in een bepaalde maand gemiddeld méér GVE’s houdt dan het doelstellingsaantal van die maand, dan volgt met uitzondering van de maanden maart en april een heffing van € 240 per GVE, dat meer dan het referentieaantal is gehouden.
In periode 1 wordt geen heffing opgelegd als in maart het doelstellingsaantal niet wordt behaald. Wordt het doelstellingsaantal in april niet gehaald, dan volgt over april een heffing van € 480 per GVE dat meer dan het referentieaantal is gehouden. Deze heffing is twee keer zo hoog, omdat in de maand maart geen heffing wordt opgelegd. Haalt het bedrijf in maart het doelstellingsaantal niet, maar in april wel, dan volgt geen heffing in periode 1.
Voldoet een bedrijf in de eerste maand van een periode niet aan het doelstellingsaantal, maar in de tweede maand wel, dan komt de opgelegde heffing van de eerste maand te vervallen. Een eventueel betaalde heffing wordt terugbetaald. Wel wordt dan een ‘solidariteitsheffing’ opgelegd.
Een bedrijf dat in een bepaalde maand het doelstellingsaantal wel haalt, maar het referentieaantal niet, krijgt geen ‘hoge heffing’ opgelegd, maar wel een ‘solidariteitsheffing’. Dit is vergelijkbaar met de ‘solidariteitsheffing’ uit de plannen van ZuivelNL.
De berekening is vergelijkbaar met die van de ‘hoge heffing’, maar de bedragen zijn lager. De heffing bedraagt, met uitzondering van de maanden maart en april, € 56 per GVE dat meer dan het referentieaantal is gehouden.

Regeling niet-melkproducerende bedrijven
Voor bedrijven die geen melk produceren voor consumptie of verwerking geldt een andere regeling. Deze regeling geldt o.a. voor jongveeopfokkers, bedrijven met alleen zoogkoeien met bijbehorend jongvee en vleesveebedrijven (niet zijnde kalverhouders).
Voor niet-melkproducerende bedrijven geldt een referentiedatum van 15 december 2016. Er mogen vanaf 1 maart 2017 niet meer vrouwelijke runderen (GVE’s) worden gehouden dan dat er op 15 december 2016 aanwezig waren (referentieaantal).
De volgende bedrijven hoeven zich niet te houden aan het referentieaantal van 15 december 2016:
·         Bedrijven die na 15 december 2016 niet meer dan twee vrouwelijke runderen hebben aangevoerd.
·         Bedrijven waar in iedere periode op elke dag niet meer dan 5 vrouwelijke runderen aanwezig zijn.

Een niet-melkproducerend bedrijf krijgt een heffing opgelegd als het aantal GVE’s in de tweede maand van een periode groter is dan het aantal GVE’s op 15 december 2016. De heffing bedraagt € 480 per GVE dat teveel is gehouden. Voor iedere periode geldt, dat voor de eerste maand geen heffing wordt opgelegd.
  
Inning heffingen
De hierboven genoemde heffingen worden geïnd door de zuivelonderneming of door RVO.
Bij melkproducerende bedrijven worden de heffingen geïnd door de zuivelonderneming, indien deze zuivelonderneming is aangesloten bij ZuivelNL. De heffing wordt verrekend met het melkgeld.
Is de zuivelonderneming niet aangesloten bij ZuivelNL of is de regeling voor niet-melkproducerende bedrijven van toepassing, dan worden de heffingen geïnd door RVO.
  
Bedrijfsoverdrachten 

Bij een bedrijfsoverdracht kan de referentie worden overgedragen naar de overnemende partij. Is er sprake van een bedrijfssplitsing, dan kan de referentie naar rato worden verdeeld. Er is, in dit kader, alleen sprake van een bedrijfsoverdracht als het overdragende bedrijf wordt beëindigd. Er moet aantoonbaar sprake zijn van een bedrijfsoverdracht die bij RVO is/wordt gemeld. Ook bij een wijziging van rechtsvorm, waarbij een nieuw KvK-nummer ontstaat, is sprake van een bedrijfsoverdracht.


  
Knelgevallenregeling
In het fosfaatreductieplan is een knelgevallenregeling opgenomen. Bedrijven kunnen voor de knelgevallenregeling in aanmerking komen als door onvoorziene omstandigheden de referentie (2 juli 2015 of 15 december 2016) 5% lager is dan deze zou zijn, zonder deze onvoorziene omstandigheden.
Onder onvoorziene omstandigheden wordt verstaan:
·         Ziekte van de houder van de dieren.
·         Ziekte of overlijden van personen in het samenwerkingsverband of van een bloed- of aanverwant in de eerste graad.
·         Bouwwerkzaamheden.
·         Vernieling van de melkstal.
·         Diergezondheidsproblemen.
Op verzoek kan de betreffende referentie worden aangepast aan het aantal runderen dat voor de intreding van de onvoorziene omstandigheid waren geregistreerd.
Een verzoek om de knelgevallenregeling toe te passen, moet op uiterlijk 1 april 2017 bij RVO worden ingediend.

Melkproducerende bedrijven kunnen per maand, m.u.v. de maand maart, een bonus ontvangen als het gemiddeld aantal GVE’s lager is dan het referentieaantal. De bonus geldt per GVE lager dan het referentieaantal met een maximum van 10% van het referentieaantal.

Wanneer runderen in een referentiejaar zijn uitgeschaard, dan kan, onder voorwaarden, het referentieaantal van bepaalde perioden worden overgedragen van de inschaarder naar de uitschaarder. In de regeling wordt er vanuit gegaan dat ook in 2017 dieren worden uitgeschaard. Het overdragen kan alleen indien de inschaarder hiermee instemt. Dit geldt zowel voor de regeling voor melkproducerende bedrijven als voor de regeling voor niet-melkproducerende bedrijven.


maandag 6 februari 2017

Huur en verhuur van percelen vastleggen op papier



Het tijdelijk huren en verhuren van percelen heeft niet alleen invloed op de hoeveel betalingsrechten, maar ook op de gebruiksruimte voor mest. In de praktijk merken wij helaas dat wanneer hierover niets is afgesproken en/of is vastgelegd, dit vaak achteraf, of lopende het seizoen stof is voor discussie. Omdat de belangen steeds groter worden, en partijen vaak een duurzame relatie met elkaar wensen te onderhouden, is het zeer verstandig om alle zaken met betrekking tot de huurpercelen bespreekbaar te maken, en eventueel aan het papier toe te vertrouwen.
Het vastleggen op papier kan in allerlei vormen. Informeert u bij ons naar de mogelijkheden.

vrijdag 11 december 2015

Laatste Wijzigingen in AmvB Grondgebondenheid


In onze laatste nieuwsbrief hebben wij uitgebreid uitgelegd hoe u de regelgeving Grondgebondenheid dient te berekenen. Deze regelgeving gaat in per 1 januari 2016 en bepaald hoeveel grond u onder u bedrijf dient te hebben bij de aanwezigheid van de diercategorieën 100, 101 en 102. Als beginpunt berekend u de productie en plaatsingsruimte van 2014. In eerste instantie moest deze berekend worden met de normen van 2014, echter na half november is bekend geworden dat u hiervoor de normen van het jaar mag gebruiken waarvoor u de berekening maakt, dus 2016.

Dit heeft als gevolg dat bijvoorbeeld het verkleinen van plaatsingsruimte door het verlagen van de normen, deze niet met grond hoeft te worden gecompenseerd.

Voor meer informatie kunt u terecht bij Arjan Zant 06-83179441 of Mad Koorn 06-53735942

Aanmelden voor verplichte Kringloopwijzer


Vanaf 1 januari 2016 zijn alle melkveehouderij bedrijven verplicht om mee te doen aan de Kringloopwijzer. Deze verplichting vanuit de zuivelindustrie gold voor 2015 alleen voor bedrijven met een fosfaatreferentie > 0 kg, en dus voor 2016 voor alle bedrijven. De registratie van de Kringloopwijzer wordt door ZuivelNL gefaciliteerd op de website www.dekringloopwijzer.nl . In deze database worden gegevens van uw bedrijf samengebracht. Zoals; RVO, uw grondonderzoeken, veevoeder en kunstmestleverancier. Alle gegevens moeten in de database binnen zijn voor 1 maart. Heet u dus de verplichting van 2015 dan moet alles geregistreerd zijn voor 1 maart 2016. Gaat u verplichting per 1 januari 2016 in, dan dient u de kringloopwijzer volledig ingevuld te hebben voor 1 maart 2017. Toch raden wij u aan om u zo spoedig mogelijk aan te melden op www.dekringloopwijzer.nl vervolgens kunt u partijen machtigen om gegevens over uw bedrijf in de database uit te wisselen. Wanneer u zich niet tijdig aanmeld voor de verplichte deelname hanteert zuivelNL het principe dat u ook voor 2015 verplicht bent de kringloopwijzer aan te leveren.

 
Een van de uitgangspunten bij de Kringloopwijzer, maar ook voor het berekenen van de BEX is dat u de beginvoorraad van uw ruwvoeders, krachtvoeders, melkpoeders en overige producten per 1 januari 2016 in beeld moet hebben. Dat betekent dat er van deze zaken erkende analyses beschikbaar moeten zijn die geschikt zijn voor de BEX/Kringloopwijzer. Heeft u uw voorraden, 1 januari 2016 aanwezig op uw bedrijf, nog niet laten analyseren? Zorg dan dat u dat tijdig laat doen.