Posts tonen met het label mestverwerking. Alle posts tonen
Posts tonen met het label mestverwerking. Alle posts tonen

vrijdag 7 juli 2017

PAS en Natuurvergunningen ter discussie.

Naar aanleiding van een groot aantal beroepsprocedures tegen verleende Natuurvergunningen (NB Vergunningen) is besloten de PAS te actualiseren. Vanaf 21 juni tot 1 september kunnen geen meldingen worden gedaan. Op aangevraagde vergunningen wordt geen besluit genomen.
Verder is het wachten op antwoorden op vragen welke de Raad van State gesteld heeft aan het Europees Hof of de PAS niet in strijd is met de Europese habitatrichtlijn. Dit wordt niet eerder dan 1 juli 2018 verwacht. Kortom veel onduidelijkheden op dit onderwerp.
Verleende vergunningen waartegen geen procedure loopt zijn onherroepelijk. Wat de gevolgen zijn voor verleende vergunningen waartegen nog beroep loopt en voor meldingen welke in het kader van de PAS zijn gedaan is nog onduidelijk. Wij houden het voor u in de gaten.  

PAS staat voor het Programma Aanpak Stikstof (PAS). In dit programma werken Rijk en provincies aan minder stikstof, sterkere natuur en economische ontwikkeling. Stoot uw bedrijf ammoniak uit welke kan neerslaan op een Natura 2000 gebied kan het zijn dat u een NB (Natuur) vergunning nodig heeft.
Naar aanleiding van een groot aantal beroepsprocedures tegen verleende NB vergunningen heeft de Raad van State op 17 mei vragen gesteld aan het Europees hof. De Afdeling heeft in een tweetal uitspraken vragen gesteld aan het Hof. De ene zaak gaat over veehouderijen waarvoor op basis van de PAS natuurvergunningen zijn verleend. Onder meer wordt gevraagd of de PAS op grond van de Europese Habitatrichtlijn mag worden gebruikt voor het verlenen van vergunningen.
De andere uitspraak gaat over het weiden en bemesten van gronden, waarvoor onder de PAS geen vergunning nodig is. De Afdeling wil van het Hof van Justitie weten of deze activiteiten, ook op basis van de Europese Habitatrichtlijn, zonder vergunning mogen worden toegestaan.
De bij het Programma Aanpak Stikstof (PAS) betrokken bevoegde gezagen – het Rijk en de 12 provincies – hebben besloten om het programma gedeeltelijk te actualiseren. Als gevolg daarvan kan er tot 1 september, niet gewerkt worden met AERIUS Register. Tevens kunnen geen meldingen meer worden ingediend via het rekenmodel AERIUS Calculator. Het blijft wel mogelijk berekeningen met AERIUS Calculator te maken en vergunningen aan te vragen.
Belangrijkste inhoudelijke onderdeel van de actualisatie  is het aanvullen de al in AERIUS opgenomen leefgebieden met recent beschikbaar gekomen kaarten van leefgebieden van soorten. Daarmee zijn de kaarten van alle voor stikstof gevoelige leefgebieden compleet. Vanaf 14 juli wordt het gewijzigde programma, inclusief de geactualiseerde gebiedsanalyses, ter inzage gelegd gedurende acht weken, hierbij is het voor iedereen mogelijk om een zienswijze in te dienen. De bedoeling is dat het herziene programma in december in werking treedt.
De verwachting is dat AERIUS Calculator en AERIUS Register op 1 september weer beschikbaar komen. Voor de meeste aanvragen die nog in procedure zijn en waarbij ontwikkelingsruimte dient te worden toebedeeld vindt besluitvorming plaats na 1 september, zodat deze kunnen worden gebaseerd op de geactualiseerde versie.

Naast deze herziening werken de PAS-partijen aan de aanvullingen of verbeteringen die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft genoemd in haar uitspraak van 17 mei. Deze aanvullingen of verbeteringen volgen later. Daarbij wordt ook uitgewerkt op welke wijze en op welk moment deze zaken kunnen worden verwerkt in het PAS. Dit staat los van deze herzieningsprocedure.

Groenbemesters als vanggewas voor vergroeningseisen

Wanneer u in de gecombineerde opgave  percelen heeft opgegeven voor de teelt van een vanggewas in het kader van de vergroeningseisen, heeft u moeten aangeven in welke categorie u deze vanggewassen gaat telen. Hieronder een opsomming van belangrijkste voorwaarden per categorie:

Categorie 1: Vanggewas na de Hoofdteelt!
  •       Mengsel van minimaal 2 toegestane soorten!
  •       Tenminste 75% van aanbevolen hoeveelheid zaaizaad
  •       Zaai tussen 15 juli en 30 september.
  •       Minimaal 10 weken op het land (niet voor vanggewas na vlas en hennep)
  •       Bemesten is toegestaan
  •       GBM is niet toegestaan, ook niet na de 10 weken.

Categorie 2: Vanggewas als aaltjesbestrijding
  •       Mengsel van minimaal 2 toegestane soorten!
  •       Elk soort in het mengsel bestaat uit minimaal 3% van het aanwezige gewicht!
  •       Tenminste 75% van aanbevolen hoeveelheid zaaizaad
  •       Geen 10 weken-eis
  •        Aantoonbaar dat aaltjesbestrijding noodzakelijk is!
  •        Bemesten is toegestaan
  •        GBM is toegestaan

Categorie 3: Vanggewas als onderzaai met gras
  •       Geen mengsel noodzakelijk
  •      Minimaal 10 weken op het land. (vanaf datum oogst hoofdgewas)
  •      Bemesten is toegestaan
  •       GBM is toegestaan

Overige voorwaarden:
Voor de 10 weken eis geldt de datum die u heeft opgegeven bij de gecombineerde opgave. Wilt u deze nog wijzigen, dan kan dat, echter niet met terug werkende kracht. Dan geldt de datum van de wijziging!
Het zelf mengen van een mengsel van toegestane groenbemesters is toegestaan mits er gebruik gemaakt wordt van gecertificeerde zaaizaden. De certificaten moten bewaard worden.
Het vanggewas telt mee bij de gebruiker die ook de hoofdteelt heeft opgegeven. Dus wanneer u grond heeft verhuurd voor tulpen, en daarna wordt een vanggewas gezaaid, dan telt het vanggewas mee bij de tulpenteler. Zorg dan ook dat de tulpenteler de certificaten van het vanggewas in zijn bezit heeft en bewaard! De tulpenteler hoeft hier geen factuur van te bezitten of te bewaren, maar
het is dan wel van belang dat diegene die het zaaizaad betaalt, het betreffende perceel ook weer bij RVO “mijn percelen” op naam heeft staan! Dus boek de percelen weer terug, nadat ze verhuurd zijn, bovendien kan diezelfde gebruiker dan ook de stikstofruimte voor dit vanggewas gebruiken.

Wanneer in de gecombineerde opgave nog wijzigingen wilt aanbrengen t.a.v. de categorie, dan kunt u dat doen tot en met 30 september zonder dat dat gevolgen heeft voor de eventuele uitbetalingen!

Toegestane vanggewassen:
Categorie 1:
Alexandrijnse klaver,  Beemdlangbloem,Bladkool, Bladraap, Bladrammanas, Deder, Eng raaigras, Erwten, Ethiopische Mostert,  Facelia, Festulolium, Franse Boekweit,Gele Mostert, Incarnaat Moostert, It/Westerwolds raaigras, Japanse haver,  Lupine, Niger, Perzische klaver, Rietzwenkgras, Rode Klaver, Sarepta mosterd,  Saradelle, Soedangras, Spurrie, Stoppelknollen, Timothee, Veldbeemdgras, Vlas,  Voederwikke, Winterwikke, Witte Klaver, Zwaardherik.

Categorie 2:
Afrikaantjes (tagetes ercecta en patukla), Raketblad, Zwaardherik, Japanse Haver

Categorie 3:
Alle grassoorten

zondag 26 februari 2017

Fosfaatreductieplan



Het fosfaatreductieplan melkvee, waarin de GVE-reductie is geregeld, gaat in per 1 maart 2017. Met dit plan moet de melkveestapel terug naar de peildatum 2 juli 2015 minus 4% (behoudens grondgebonden bedrijven). Nieuw is dat het plan ook geldt voor bedrijven met vrouwelijk rundvee die geen melk produceren, zoals jongveeopfokbedrijven en vleesveebedrijven (m.u.v. vleeskalverbedrijven). Hierbij geldt een nieuwe peildatum van 15 december 2016. De definitieve regeling heeft soms grote onvoorziene effecten voor rundveebedrijven, die geen melk produceren. Vanaf april worden de eerste heffingen opgelegd.

Vrouwelijke runderen en GVE
In tabel 1 staan de categorieën van runderen, waarvoor het fosfaatreductieplan geldt. Daarbij is tevens aangegeven voor hoeveel GVE één rund in betreffende categorie meetelt.

Tabel 1. Categorieën runderen en aantal GVE per rund
·         Vrouwelijk rund van 0 tot 1 jaar                                  0,23
·         Vrouwelijk rund vanaf 1 jaar en nog niet gekalfd          0,53
·         Rund dat tenminste eenmaal gekalfd heeft                  1,00

De diercategorieën uit het fosfaatreductieplan zijn afwijkend van de omschrijving ‘melkvee’ uit de Meststoffenwet. Hierdoor vallen ook zoogkoeien en overig vleesvee onder het fosfaatreductieplan. De reikwijdte van het plan is hierdoor veel groter.
  
Regeling melkproducerende bedrijven
Voor bedrijven die melk produceren voor consumptie of verwerking geldt een regeling die voor een groot deel vergelijkbaar is met de eerdere plannen van ZuivelNL. Deze bedrijven moeten, op GVE-basis, in stappen terug naar een referentieaantal.
Het referentieaantal is het aantal runderen (uitgedrukt in GVE’s) dat het bedrijf volgens de I&R-registratie op 2 juli 2015 had, verminderd met 4%. Voor een grondgebonden bedrijf is deze korting van 4% niet van toepassing.
Een bedrijf is grondgebonden als in het kalenderjaar 2015 de fosfaatproductie kleiner of gelijk is dan de fosfaatruimte in dat jaar.
De verplichte GVE-reductie wordt in stappen ingevoerd. De stappen worden ingedeeld in perioden. Per periode geldt een ‘verminderingspercentage’, dat aangeeft met hoeveel procent het aantal GVE’s moet worden verminderd. In tabel 2 staan de perioden met de daarbij behorende verminderingspercentages vermeld.
Tabel 2. Perioden en verminderingspercentages
·         Periode 1: maart en april                                5%
·         Periode 2: mei en juni                                    10%
·         Periode 3: juli en augustus                            Ten hoogste 20%
·         Periode 4: september en oktober                  Ten hoogste 40%
·         Periode 5: november en december               Ten hoogste 40%

De definitieve percentages voor de perioden 3 t/m 5 zijn afhankelijk van het verloop van de totale nationale fosfaatproductie. Deze percentages worden uiterlijk op de laatste dag van de voorgaande periode vastgesteld.
De percentages in de perioden 3 t/m 5 zijn nooit lager dan de vastgestelde percentages in de vorige periode.
  
Heffingen
Als de GVE’s onvoldoende worden gereduceerd, volgt een heffing. Hierbij wordt steeds per maand de gemiddelde GVE’s in de betreffende maand vergeleken met het ‘referentieaantal’ en het ‘doelstellingsaantal’. Er kan een ‘hoge’ heffing volgen of een ‘solidariteitsheffing’.
Als een bedrijf in een bepaalde maand gemiddeld méér GVE’s houdt dan het doelstellingsaantal van die maand, dan volgt met uitzondering van de maanden maart en april een heffing van € 240 per GVE, dat meer dan het referentieaantal is gehouden.
In periode 1 wordt geen heffing opgelegd als in maart het doelstellingsaantal niet wordt behaald. Wordt het doelstellingsaantal in april niet gehaald, dan volgt over april een heffing van € 480 per GVE dat meer dan het referentieaantal is gehouden. Deze heffing is twee keer zo hoog, omdat in de maand maart geen heffing wordt opgelegd. Haalt het bedrijf in maart het doelstellingsaantal niet, maar in april wel, dan volgt geen heffing in periode 1.
Voldoet een bedrijf in de eerste maand van een periode niet aan het doelstellingsaantal, maar in de tweede maand wel, dan komt de opgelegde heffing van de eerste maand te vervallen. Een eventueel betaalde heffing wordt terugbetaald. Wel wordt dan een ‘solidariteitsheffing’ opgelegd.
Een bedrijf dat in een bepaalde maand het doelstellingsaantal wel haalt, maar het referentieaantal niet, krijgt geen ‘hoge heffing’ opgelegd, maar wel een ‘solidariteitsheffing’. Dit is vergelijkbaar met de ‘solidariteitsheffing’ uit de plannen van ZuivelNL.
De berekening is vergelijkbaar met die van de ‘hoge heffing’, maar de bedragen zijn lager. De heffing bedraagt, met uitzondering van de maanden maart en april, € 56 per GVE dat meer dan het referentieaantal is gehouden.

Regeling niet-melkproducerende bedrijven
Voor bedrijven die geen melk produceren voor consumptie of verwerking geldt een andere regeling. Deze regeling geldt o.a. voor jongveeopfokkers, bedrijven met alleen zoogkoeien met bijbehorend jongvee en vleesveebedrijven (niet zijnde kalverhouders).
Voor niet-melkproducerende bedrijven geldt een referentiedatum van 15 december 2016. Er mogen vanaf 1 maart 2017 niet meer vrouwelijke runderen (GVE’s) worden gehouden dan dat er op 15 december 2016 aanwezig waren (referentieaantal).
De volgende bedrijven hoeven zich niet te houden aan het referentieaantal van 15 december 2016:
·         Bedrijven die na 15 december 2016 niet meer dan twee vrouwelijke runderen hebben aangevoerd.
·         Bedrijven waar in iedere periode op elke dag niet meer dan 5 vrouwelijke runderen aanwezig zijn.

Een niet-melkproducerend bedrijf krijgt een heffing opgelegd als het aantal GVE’s in de tweede maand van een periode groter is dan het aantal GVE’s op 15 december 2016. De heffing bedraagt € 480 per GVE dat teveel is gehouden. Voor iedere periode geldt, dat voor de eerste maand geen heffing wordt opgelegd.
  
Inning heffingen
De hierboven genoemde heffingen worden geïnd door de zuivelonderneming of door RVO.
Bij melkproducerende bedrijven worden de heffingen geïnd door de zuivelonderneming, indien deze zuivelonderneming is aangesloten bij ZuivelNL. De heffing wordt verrekend met het melkgeld.
Is de zuivelonderneming niet aangesloten bij ZuivelNL of is de regeling voor niet-melkproducerende bedrijven van toepassing, dan worden de heffingen geïnd door RVO.
  
Bedrijfsoverdrachten 

Bij een bedrijfsoverdracht kan de referentie worden overgedragen naar de overnemende partij. Is er sprake van een bedrijfssplitsing, dan kan de referentie naar rato worden verdeeld. Er is, in dit kader, alleen sprake van een bedrijfsoverdracht als het overdragende bedrijf wordt beëindigd. Er moet aantoonbaar sprake zijn van een bedrijfsoverdracht die bij RVO is/wordt gemeld. Ook bij een wijziging van rechtsvorm, waarbij een nieuw KvK-nummer ontstaat, is sprake van een bedrijfsoverdracht.


  
Knelgevallenregeling
In het fosfaatreductieplan is een knelgevallenregeling opgenomen. Bedrijven kunnen voor de knelgevallenregeling in aanmerking komen als door onvoorziene omstandigheden de referentie (2 juli 2015 of 15 december 2016) 5% lager is dan deze zou zijn, zonder deze onvoorziene omstandigheden.
Onder onvoorziene omstandigheden wordt verstaan:
·         Ziekte van de houder van de dieren.
·         Ziekte of overlijden van personen in het samenwerkingsverband of van een bloed- of aanverwant in de eerste graad.
·         Bouwwerkzaamheden.
·         Vernieling van de melkstal.
·         Diergezondheidsproblemen.
Op verzoek kan de betreffende referentie worden aangepast aan het aantal runderen dat voor de intreding van de onvoorziene omstandigheid waren geregistreerd.
Een verzoek om de knelgevallenregeling toe te passen, moet op uiterlijk 1 april 2017 bij RVO worden ingediend.

Melkproducerende bedrijven kunnen per maand, m.u.v. de maand maart, een bonus ontvangen als het gemiddeld aantal GVE’s lager is dan het referentieaantal. De bonus geldt per GVE lager dan het referentieaantal met een maximum van 10% van het referentieaantal.

Wanneer runderen in een referentiejaar zijn uitgeschaard, dan kan, onder voorwaarden, het referentieaantal van bepaalde perioden worden overgedragen van de inschaarder naar de uitschaarder. In de regeling wordt er vanuit gegaan dat ook in 2017 dieren worden uitgeschaard. Het overdragen kan alleen indien de inschaarder hiermee instemt. Dit geldt zowel voor de regeling voor melkproducerende bedrijven als voor de regeling voor niet-melkproducerende bedrijven.


maandag 2 november 2015

Nog 2 maanden om uw mestverwerkingsplicht te regelen!


U hebt tot en met 31 december van dit jaar de tijd om uw eventuele mestverwerkingsplicht voor 2015 te verantwoorden. Maar hoe zat het ook al weer?
Ten eerste is het van belang dat u uw verwerkingsplicht berekent aan de hand van het regionale verwerkingspercentage en de groei van uw melkveefosfaatoverschot 2015 ten opzichte van 2013, dus in twee stappen:

Stap 1: Productie alle diersoorten - Plaatsingsruimte = Bedrijfsoverschot x Regiopercentage.
Stap 2: Productie melkvee - Plaatsingsruimte - Melkveefosfaatreferentie = Melkveefosfaat overschot.


Vervolgens dient u te verwerken:

- de uitkomst van stap 1 (mits >100kg)
- de uitkomst van stap 2 x (100% minus regiopercentage) (mits >100kg)

Let op: In 2015 heeft u dus voor het eerst te maken met stap 2, deze is afkomstig vanuit de Melkveewet!, Vergeet deze berekening niet mee te nemen.

De Dijken Agrarisch Advies kan u helpen om samen met u uw verwerkingsplicht te berekenen, en deze verplichting in te vullen en vast te leggen in Vervangende Verwerkingsovereenkomsten.

Er zijn vele aanbieders van VVO's. Waarom dan kiezen voor de Dijken Agrarische diensten?
Wij bieden onze VVO's aan inclusief:
- berekenen van uw verwerkingsverplichting;
- duidelijke contracten;
- zorgvuldige afwikkeling van A tot Z;
- betalingsverkeer via Stichting Derdengelden.

Informeer naar de mogelijkheden.

dinsdag 11 augustus 2015

Belangrijk nieuws voor de veehouderij



Blijf bij de feiten:

In de media en tijdens de zonovergoten landbouw tentoonstelling van Opmeer 3 augustus jl. is ons opgevallen dat  aankomende fosfaatrechten de gemoederen flink bezig houden. Referentiejaar 2014? Peildatum 2 juli 2015? Fosfaatrechten zullen een behoorlijke impact hebben op de sector en op uw bedrijf, echter het is nu vooral een politieke discussie, vooral over de invulling daarvan. Het is nu nog onduidelijk hoe dit er voor elk bedrijf afzonderlijk uit gaan zien. Blijf daarom de komende maanden bij de feiten en focus vooral op de twee vragen waar u dit najaar een antwoord op moet hebben:
·         mestverwerkingsplicht 2015: Heeft mijn bedrijf nog een mestverwerkingsverplichting, en hoe vul ik deze in?
·         Grondgebondenheid vanaf 2016. Hoeveel hectare moet er in 2016 onder mijn bedrijf liggen, en kan ik nog wel grond verhuren, of moet er grond bij, of juist de melkveeproductie inperken??
Mestverwerkingsplicht 2015 in twee stappen te berekenen:

Stap 1: Van het bedrijfsoverschot fosfaat ( productie minus plaatsingsruimte) 2015 dient u een percentage te verwerken. Hoe hoog dit percentage is, is afhankelijk van waar uw bedrijf gevestigd is. Het percentage is verdeeld in 3 regio’s:
-          Regio Zuid = 50%
-          Regio Oost = 30%
-          Regio Overig = 10%
Er geldt een vrijstelling voor verwerking in de volgende situaties: 
- biologische bedrijven;
       - bedrijven met 90% fosfaatproductie op stromest;
       - bedrijven die regionaal(binnen 20 kilometer) hun volledige bedrijfsoverschot afzetten waarbij ze    75% van de totale productie kunnen plaatsen op het eigen bedrijf;
       - bedrijven waar de verwerkingsplicht na berekening beneden de 100 kg fosfaat(ondergrens) ligt. 
        Stap 2: Melkveefosfaatoverschot in 2015 t.o.v. 2013 verplicht verwerken
Nieuw in 2015 is dat u uw melkveefosfaatoverschot van 2015 t.o.v. van 2013 voor 100% dient te verwerken. Het betreft hier alleen om het fosfaat afkomstig van  de diersoorten met code 100(melkkoe), code 101(jongvee < 1jaar) en code 102(jongvee > 1jaar).

Voor een juiste berekening van uw totale verwerkingsplicht te kunnen maken dient u onderstaande vragen te beantwoorden
Wat is mijn bedrijfsoverschot in 2015?
Wat is mijn melkveefosfaatoverschot in 2015?
Wat is mijn melkveefosfaatreferentie?

De Dijken agrarisch advies beschikt over eenvoudige berekeningen om voor u inzichtelijk te maken of, en hoeveel u dient te verwerken. Vervolgens kunnen wij u helpen deze verplichtingshoeveelheid in te vullen. Dit kan  door afzet van het totale bedrijfsoverschot in de regio, of door de mestverplichting af te kopen middels een Vervangende Verwerkings Overeenkomst (VVO)
Indien een regionale mestverwerkingsovereenkomst (RMO) geen optie is dan is een vervangende verwerkingsovereenkomst(VVO) het meest voor de hand liggend om aan uw verwerkingsplicht te voldoen.

Grondgebondenheid vanaf 1 januari 2016
De AMvB Grondgebondenheid gaat in per 1 januari 2016 en beperkt de mogelijkheden om uitsluitend uit te breiden in combinatie met 100% mestverwerking. Een deel van de uitbreiding(stijging fosfaatproductie) zal gepaard moeten gaan met uitbreiding van de hectares grond in gebruik(groei plaatsingsruimte). Er zijn drie staffels opgesteld die aangeven welk percentage van de uitbreiding verwerkt moet worden en voor welk percentage extra grond in gebruik genomen moet worden.
Overschot kg fosfaat per hectare
Mestverwerking
Extra grond in gebruik
 < 20 kg
100%
0%
20 – 50 kg
75%
25%
> 50 kg
50%
50%

Indien er sprake is van een bedrijfsoverschot komt u afhankelijk van de hoogte van het bedrijfsoverschot in kg fosfaat per hectare, met uw bedrijf in een bepaalde staffel terecht. Zie de tabel hierboven. De tabel maakt duidelijk dat des te intensiever het melkveebedrijf, des te hoger het percentage aan extra te verwerven grond is om de uitbreiding in fosfaatproductie te mogen realiseren en des te lager het percentage van mest die verwerkt mag worden.
De fosfaatproductie van 2014 geldt als referentie. Produceert uw bedrijf in 2016 dus meer fosfaat  en/of is de plaatsingsruimte gedaald ten opzichte van 2014 (minder hectares, en/of lagere fosfaatnormen per hectare) en komt u daardoor uit op een overschot > 20 kg fosfaat, dan dient u rekening te houden met de AMvB.
Heeft u voor 2016 een bepaalde hoeveelheid productie voor ogen dan is het van belang dat u exact weet hoeveel hectare grond daar bij hoort, en u dus dient op te geven bij de gecombineerde opgave van 2016. Achteraf plaatsingsruimte corrigeren na 15 mei 2016 kan dus niet!
De AmvB Grondgebondenheid heeft dus vergaande gevolgen voor uw grondgebruik vanaf 2016 inclusief uw gebruikelijke huur en verhuur van grond! Weet dus waar u staat, en laat u niet verassen!
Voor het niet (volledig) voldoen en verantwoorden van het bedrijfsoverschot fosfaat staat in de verordening een sanctie van € 11,- per kg Fosfaat

Wat kunnen wij u bieden?
·         Berekenen van de verwerkingsplicht 2015
·         Bemiddeling in VVO’s met bijbehorende administratieve afhandeling tussen overdrager – overnemer en digitale registratie bij het RVO
·         Een antwoord op de vraag hoeveel grond dient u feitelijk  in 2016 in gebruik te hebben, en of er ruimte is om eventueel hectares te verhuren, bijvoorbeeld bloembollen, aardappelen, of groenten.
·         Desgewenst bemiddeling in grondgebruik!

Coen Knook       06-13553970
Arjan Zant          06-83179441
Mad Koorn         06-53735942